Saturday, February 26, 2011

Slim beleid leidt tot innovatie, bot bezuiningen tot behoudzucht

This opinion piece co-authored with Paul Maassen of WWF Int'l was published in NRC Next Opinie on Feb. 25, 2011, entitled "Terug naar de aaibare thema's".

Slim beleid leidt tot innovatie, bot bezuiningen tot behoudzucht.
Uit onverwachte hoek kwam vandaag het initiatief voor een hoorzitting over het huidige ontwikkelingsbeleid. Niet de ‘linkse’ hoek van de kamer, maar nota bene SGP-kamerlid Van der Staaij stelt voor dat het kabinet zich laat informeren door wetenschappers en mensen uit de praktijk, voordat de voorgestelde rigoureuze beleidswijzigingen worden uitgevoerd. Kortom, de gevaren van de bezuinigingen worden in de kamer breed erkend, maar vallen bij de regeringspartners op dovemansoren.

Het huidige kabinet wil daadkrachtig het buitenlandse beleid hervormen, inclusief ontwikkelingssamenwerking. Net als in andere sectoren gebeurt dat vooralsnog met scherp bezuinigen, wat bijdraagt tot behoudszucht, zowel aan de kant van het ministerie als – noodgedwongen – in de sector zelf. En dat is jammer, want slim beleid kan leiden tot frisheid en innovatie.

Van oudsher wordt een flink stuk van het budget voor ontwikkelingssamenwerking - ongeveer 25% - via maatschappelijke organisaties besteed in het zogenoemde medefinancieringsstelsel (MFS). Het net ingeluide nieuwe subsidiestelsel (MFSII) voor dit deel van Nederlandse internationale betrokkenheid bevat een aantal nieuwe eisen, bedoeld om samenwerking verder te bevorderen en resultaten te maximaliseren. Het stelsel bouwt hiermee verder op de stelselwijzigingen van vijf jaar geleden, waarbij het ministerie aanvragers verplichtte om binnen 4 jaar minstens 25% van hun inkomsten uit andere bronnen te halen. Deze ‘25%-regeling’ was een sterke maatregel: het zette de luiken open in de sector en leidde tot verfrissend ondernemerschap en verrassende samenwerkingen. Het bood ruimte voor jonge instroom in de vaak verstarde sector. Het leidde tot een nieuwe dynamiek, zorgde voor strakkere bedrijfsvoering, waarbij wensen en eisen van buitenaf bijdroegen tot een noodzakelijke kritische blik op eigen functioneren. Nederlandse organisaties bleken gewilde partners door hun sterke trackrecord, vrije budget en inhoudelijke vrijheid, opgebouwd mede dankzij een decennialange, constructieve samenwerking met de ministeries. Zo gingen bezuinigingen in de ontwikkelingssector hand in hand met fris samenwerken, nieuwe ideeën, tijd en budget om nieuwe aanpakken uit te proberen en goede resultaten te behalen.

Het net ingeluide nieuwe subsidiestelsel (MFSII) voor dit deel van Nederlandse internationale betrokkenheid oogst minder applaus. De intentie van dit nieuwe stelsel is om samenwerking verder te bevorderen en resultaten te maximaliseren, maar de redenering achter de nieuwe eisen lijkt te zijn: de positieve effecten van de 25%-regeling kunnen we nog verder uitbreiden door dat percentage simpelweg te verhogen. Er is echter een omslagpunt waarbij aanscherping niet leidt tot vernieuwing, maar tot afbreuk, en dat punt lijkt nu te zijn bereikt. Namelijk, om de steeds grotere bezuinigingen te kunnen bolwerken zijn de organisaties verplicht om drastisch in te krimpen. Op zich prima, ware het niet dat het leidt tot veroudering van het personeelsbestand: de jongere generaties hebben vaak een korter dienstverband of een tijdelijk contract en worden daardoor eerder ontslagen. Juist zij die vertrouwd zijn met ontwikkelingssamenwerking 1.0 blijven over. Dit zal niet leiden tot vernieuwing van de sector, noch tot betere resultaten.

Bovendien sluit verplicht samenwerken met andere Nederlandse organisaties, ook deel van het beleid, niet aan bij de realiteit van de gemondialiseerde wereld. Juist de internationale, geografisch gedistribueerde sector vindt haar kracht in internationale vormen van samenwerking met heterogene partners. Zo leidde MFS 1 bijvoorbeeld bij ontwikkelingsorganisatie Hivos tot innovatieve partnerships met Amerikaanse organisaties als Open Society Institute en de Hewlett Foundation. MFS 2 daarentegen perst vele Nederlandse clubs samen, in gezochte synergieën.

De noodzaak van het vinden van andere inkomstenbronnen zal ook nog eens leiden tot een focus op klassieke, aaibare thema's. Om aan de bezuinigingen te voldoen kiezen de grote organisaties niet voor innovatie, maar voor conservatisme en behoudzucht. Het is nu eenmaal makkelijker om steun te vinden bij het grote publiek voor ziekenhuizen en scholen dan bijvoorbeeld slim gebruik van sociale media in repressieve contexten. Toch bewijst juist dit aloude speerpunt van een club als Hivos op dit moment zijn meerwaarde in de Arabische lente. Minder zichtbaar, wel vernieuwend, en helemaal passend bij Neerlands’ wens om mensenrechtenhoeder en innovator te zijn.

Bezuinigen op zich hoeven niet slecht te zijn, en kunnen, mits goed aangepakt, ook leiden tot creativiteit en vernieuwing. De gekozen wijze van dit kabinet is echter een recept voor verarming en zal niet leiden tot het verfrissende ondernemerschap, noch tot verrassende samenwerkingsverbanden, maar tot stagnatie. Het is te veel en te snel, sluit de mogelijkheid tot experimenteren en risico uit, en stimuleert de verkeerde prikkels. De nieuwe hervormingen lijken vooral bedoeld om het werk van het ministerie te vereenvoudigen en daardoor tegemoet te komen aan de verkiezingsbelofte van een slanker ambtenarenapparaat: door samenwerkingsconsortia te verplichten verschuift de administratielast van de apenrots naar de betrokken organisaties. Daarnaast wordt bij de bezuinigingen (meer dan 25% korting in 2011 t.o.v. 2010) prioriteit gegeven aan de belangen van de Nederlandse overheid en het bedrijfsleven – een doodszonde in het internationale ontwikkelingsdebat, dat de laatste decennia juist de stem van lokale burgers in de landen zelf probeerde te versterken. Cynici zullen hieruit concluderen: de voorgenomen hervormingen zijn een sterfhuisconstructie voor ontwikkelingssamenwerking, om af te rekenen met wederom een ‘linkse hobby. De verrassende inmenging van de SGP en bijvoorbeeld geëngageerde CDA’ers als Kathleen Ferrier, laat echter zien dat de betrokkenheid bij ontwikkelingssamenwerking toch breder gedragen wordt dan het kabinet zich lijkt te realiseren.

Wat de sector nodig heeft om zowel efficiënter als effectiever te worden is ruimte voor innovatie. Dat vraagt om vrijheid voor samenwerking over grenzen heen. Het vraagt om getemporiseerde bezuinigen. En het vraagt om het stimuleren van instroming van jongere generaties in de sector. Een generatie die compleet anders samenwerkt, kennis verzamelt en verbanden legt. Een generatie die niet alleen snapt wat de rol van sociale media in de Arabische revoluties is, maar deze ook zag aankomen.

Als het doel van het nieuwe subsidiestelsel is om te komen tot betere resultaten, meer samenwerking, en minder uitgaven dan zal de staatssecretaris teleurgesteld worden. De gekozen aanpak zal hoogstens het laatste doel bewerkstelligen.

Paul Maassen is Hoofd van partnerships en financien, klimaat en energie initiatief WWF International in Brussel. Julie Ferguson promoveert op machtsrelaties en kennisontwikkeling in de ontwikkelingssector, binnen de onderzoeksgroep Kennis, Informatie en Netwerken aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Dit artikel is op persoonlijke titel van beide auteurs geschreven.